Zalf van de Hemelse Vader

‘Kom,’ zei Hij en nam haar als het ware bij de hand, de Hemelse Vader. ‘Kom, ga eens op bezoek bij die oude broeder op zijn sterfbed. Je hebt er best even tijd voor. Je huis is netjes, de kinderen komen nog niet uit school en boodschappen heb je ook al gedaan. Er is eigenlijk niets wat je tegehoudt. Ik wil je leren dat je niet bang hoeft te zijn voor alles wat met de dood te maken heeft. Ik wil je zo graag genezen van de pijn in je hart. Kom, stap op je fiets. Ik zal bij je zijn, echt, het is niet eng. Maarten is een kind van Mij en Mijn liefde zal door hem heen naar jou toestromen. Weet je, Ik houd van je en wil niets liever dan balsem op jouw wonden leggen.’

Verder lezen

Aksa: een vrouw die weet wat ze wil

Aksa: een vrouw die weet wat ze wil

Geboeid kijken we naar het heldere water dat uit de grond omhoog borrelt. “Mooi, hè?” zegt Aksa. “Dit is de hoogstgelegen bron die ik van mijn vader gekregen heb. Als we nu dààr bij die rots gaan zitten, zal ik je de andere bronnen aanwijzen.” Langzaam lopen we er naartoe. Ondertussen vertelt ze dat ze haar vader bewondert. “Het is zo’n bijzondere man; ik heb heel veel van hem geleerd. Vooral in de tijd dat we door de woestijn reisden. Hij ging door, altijd maar weer, terwijl de reis voor hem toch al zo’n veertig jaar duurde. Nooit hoorde ik hem klagen over zijn leeftijd. Integendeel zelfs! Hij voelde zich nog sterk genoeg om dit land in bezit te nemen. De Here had het hem beloofd en hij vertrouwde erop dat Hij hem helpen zou ook. Met al zijn energie stortte hij zich in de strijd en overwon de Enakieten.”

Verder lezen

Bij Hem is kracht

Bij Hem is kracht

De stem van God klonk onverbiddelijk: ‘Geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben, en de tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en die Mij nu reeds tienmaal verzocht en naar mijn stem niet geluisterd hebben, zal het land zien, dat ik onder ede aan hun vaderen beloofd heb! Ja, niemand van hen, die Mij versmaad hebben, zal het zien. In deze woestijn zullen uw lijken vallen, namelijk zovelen als er van u geteld zijn, naar uw volle getal, van twintig jaar oud en daarboven, omdat gij tegen Mij gemord hebt.’

‘Dat was de straf die wij kregen.’ Er klinkt een vreemd geluid door in de stem van Elisafat. Hij wrijft even in zijn ogen. Hananja huivert als hij deze woorden hoort. ‘Heeft God dat echt gezegd, opa?’ vraagt hij aan de man die naast hem zit. ‘Wanneer zei Hij dat dan? Wat was er allemaal verkeerd gegaan?’ Hij staart zijn opa aan, springt dan op en gaat voor hem staan. ‘Dat is toch ongelooflijk!’ roept hij uit, ‘Iedereen van twintig jaar oud en daarboven moet sterven! Dat kan God toch niet werkelijk zo bedoeld hebben? Opa, heeft God nooit tegen Mozes gezegd dat het een vergissing was?’ Hananja kijkt hem hoopvol aan.

Verder lezen

Een grote menigte ziet ons en moedigt ons aan

… opdat wij niet moe worden

Het wordt steeds stiller in de arena. De meeste mensen hebben hun plaatsje gevonden en genieten van het feit dat ze getuigen zullen zijn van belangrijke wedstrijden. Zo af en toe komt er nog iemand de trap van de tribune op en gaat dan snel zitten. Gelukkig, nog net op tijd!

Het is een bijzonder gezelschap dat de spelen bijwoont. Bruine, blanke en zwarte mensen zitten naast elkaar op de banken. Er zijn heel oude mensen bij, maar ook jongeren, ja zelfs kinderen. Wat heeft hen toch hier bijeengebracht? Zijn ze hier louter voor de spelen, of hebben ze nog een andere binding met elkaar?

Verder lezen

Voedsel verzamelen voor onze tentgenoten

Het zijn maar een paar woorden, je leest er gemakkelijk overheen. De geschiedenis is ook zo overbekend, de aandacht verflauwt dan snel. Het volk Israël is ontevreden over het eten in de woestijn. ‘Och, dat wij door de hand des Heren in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten’ (Ex. 16:3). Ze hebben zin in brood; de Here geeft ze het manna.

Verder lezen

Zij heeft gedaan wat zij kon

Aan Uw voeten Heer,

is de hoogste plaats;

daarom kniel ik neer bij U.

Om bij u te zijn,

is de grootste eer;

daarom buig ik mij voor U

Zes dagen voor het pascha komt de Heer Jezus in Bethanië bij Maria en Martha in het huis van Simon de melaatse. Er staat niets beschreven over de relatie tussen Simon en de zussen. Het is voor deze geschiedenis ook niet van belang. Jezus komt daar en krijgt een maaltijd aangeboden. Terwijl hij aanligt om te eten, gebeurt er iets. De deur gaat open en een vrouw komt binnen. De ogen van de Heer Jezus, van de discipelen, van Lazarus en verder van alle andere aanwezigen zullen haar ongetwijfeld gezien en herkend hebben. Het is Maria, de zuster van Martha. Waarschijnlijk komt ze haar zuster helpen met de maaltijd.

Verder lezen

‘Leer mij Uw weg, o Heer…’

‘Heer, ik prijs uw grote naam. Heel mijn hart wil ik U geven. Want U bent de weg gegaan, die mij redding bracht en leven. U daalde neer van uw troon, om mens te zijn. Van de stal naar het kruis, droeg U mijn pijn. Van het kruis naar het graf, uit het graf weer opgestaan. Heer, ik prijs Uw grote naam’*

Terwijl de laatste tonen van dit prachtige lied zachtjes wegebben, blijft Jan-Willem in gedachten verzonken zitten. Mensen staan op om naar huis te gaan en al gauw overstemt hun geroezemoes de diepte van dit lied. Het lijkt wel of niemand meer denkt aan wat net gezongen werd. ‘Heel mijn hart wil ik U geven’, klinkt het nog na bij Jan-Willem. Hij sluit zijn ogen en ziet die zin als het ware met dikke, zwarte letters voor zich staan. Wil ik dat inderdaad? vraagt hij zich af, heel mijn hart aan de Heer Jezus geven? Niet alleen mijn hart, maar heel mijn leven?

Verder lezen